Vier weken op verhalenjacht bij Nikhef

02 - 08 - 2016


FOM-Communicatieadviseur Ans Hekkenberg was vier weken lang werkzaam bij Nikhef om zoveel mogelijk te weten te komen over het onderzoek. Hier haar ervaringen.


Het is donderdagochtend, en ik zit in een ietwat rommelig kantoor met oud-Nikhef-directeur Karel Gaemers tegenover me. Mijn pen vliegt over het papier terwijl ik aantekeningen maak van ons gesprek. Voor een schrijfklus ben ik op zoek naar de belangrijkste hoogtepunten in de geschiedenis van Nikhef. Gaemers praat me in anderhalf uur bij over… nou… alles, eigenlijk. Van de oprichting van Nikhef in 1975, tot de meest recente ontdekkingen.

“Het was 1991 of ’92, en ik was directeur”, herinnert Gaemers zich. “Willem van Leeuwen kwam naar me toe en vroeg: ‘Karel, zal ik het World Wide Web installeren’? Ik wist eigenlijk niet goed wat het inhield. Het ‘web’ was iets nieuws, uit CERN. In Nederland was het nog onbekend. ‘Kost het veel tijd?’ vroeg ik, maar Willem zei dat het wel mee zou vallen. ‘Nou, dan doe maar’, heb ik toen gezegd, en ik ging weer verder met mijn werk.” Gaemers kan zelf wel lachen om de anekdote. Als ze toen hadden geweten welke impact het World Wide Web zou hebben, had het gesprek heel anders gelopen. “En waren we nu rijk”, fantaseert Gaemers.

Geen Nikhef zonder CERN
Doordat Nikhef altijd nauw heeft samengewerkt met CERN, waren Nikhef-onderzoekers vroeg aangehaakt toen in Genève het World Wide Web het levenslicht zag. Sterker nog, www.nikhef.nl was de derde website ter wereld. “Nikhef zou er niet zijn geweest zonder CERN”, zegt Gaemers over de sterke banden met de Europese organisatie. “Er waren al vroeg Nederlandse universiteiten betrokken bij CERN, maar op een gegeven moment ontstond de behoefte om een instituut op te richten waar alle technische ontwikkelingen samen kwamen.” Dat instituut werd het Nikhef.

Sporen van belletjes
Er is veel gebeurd sinds die tijd, zegt Gaemers. In de jaren ’70 deed Nederland nog bellenvat-experimenten bij CERN. Een bellenvat is een ruimte, gevuld met een vloeistof die verhit is tot net onder het kookpunt. Wanneer een deeltje met veel energie de vloeistof raakt, ontstaat op die plek een iets lagere druk en begint de vloeistof te koken. Het resultaat is een spoor van belletjes door het vat. “We namen duizenden, misschien wel miljoenen foto’s van bellenvaten, die vervolgens bekeken moesten worden. In Amsterdam en in Nijmegen werkten ‘scanjuffrouwen’, zij zochten naar foto’s waar interessante sporen op stonden en markeerden die”, zegt Gaemers. “Het idee ontstond dat dat automatisch zou moeten kunnen. Nikhef begon te zoeken naar een andere manier om deeltjes te meten.”

Gezoem
Die andere manier is overduidelijk gevonden. Na afloop van mijn gesprek met Gaemers, passeer ik Nikhef’s datacenter. Het is een donkere, glazen kamer, waar rekken vol knipperende servers in zitten verstopt. Aan de buitenzijde kun je, als je je best doet, een laag gezoem horen. In deze kamer schuilt een enorme hoeveelheid rekenkracht – equivalent aan duizenden computers. Dat is ook wel nodig, want de huidige CERN-experimenten creëren in één seconde ongelofelijk veel foto’s van deeltjesbotsingen. Daar zou geen leger van scanvrouwen tegenop kunnen.

Rekencentrum
Wanneer ik later die week computertechnoloog Ronald Starink ontmoet, neemt hij me mee de zoemende kamer in. Zodra de deur open gaat, verandert de zachte toon in een luid gebrom; het geluid van machines die rekenopdrachten van over de hele wereld uitvoeren. “Een deel van de data van de deeltjesbotsingen van CERN komt hier terecht”, legt Starink uit. “De gegevens worden uitgelezen, en de meting wordt gereconstrueerd.  Hoe bewoog het deeltje door de detector? Wat voor deeltje was het? Hier gebeurt de analyse van duizenden botsingen per seconde. Maar ook andere wetenschappers, van biomedici tot taalwetenschappers, kunnen van deze infrastructuur gebruik maken voor hun rekenwerk.”

Griezelig nauwkeurig
Starink vertelt me dat hij veel samenwerkt met elektronica-technici, en met de mechanische technici die hun werkplaatsen op de begane grond hebben. “Samen zorgen we ervoor dat alle experimenten kunnen worden uitgevoerd.” Wanneer ik later met Patrick Werneke, hoofd van de mechanische techniekafdeling, over die werkvloer loop, maakt mijn fysica-hart een sprongetje. Werneke laat me prototypen zien van detectoronderdelen voor de deeltjesversneller LHC, maar ook grote glazen bollen die neutrino’s zullen meten, en een vacuümtank waarin een dempingssysteem zit die trillingen van de aardbodem met een factor miljoen verkleint. “Voor het onderzoek naar zwaartekrachtsgolven”, vertelt Werneke.

Toen natuurkundigen in september 2015 voor het eerst een zwaartekrachtsgolf detecteerden, waren hun detectoren in staat extreem kleine verschuivingen te meten. Als je een waterdruppel in het IJsselmeer laat vallen, zou de apparatuur de stijging van het waterniveau kunnen meten – maar dan nog eens 100.000 keer nauwkeuriger. Elke minieme trilling moet dus verdwijnen. En dat gebeurt hier. “Gaaf”, besluit ik. Werneke knikt instemmend.

Wanneer ik later Jo van de Brand spreek, een van de wetenschappers die nauw was betrokken bij de eerste zwaartekrachtsgolf-meting, vraag ik hem hoe het was om onderdeel te zijn van zo’n wetenschappelijke doorbraak. “Leuk”, zegt hij bescheiden. “Het is aan te bevelen.”

Zwerftocht door het Nikhef
In de twee weken die volgen zwerf ik door het gebouw, op zoek naar mooie verhalen. En die zijn er meer dan genoeg. Ik plof neer in de luie stoel op de theorie-afdeling, waar ik word bijgepraat over de laatste ontwikkelingen met betrekking tot berekeningen in de quantumveldentheorie. Bij de ‘Beauty Parlour’ (de gang van de LHCb-groep; waarbij ‘b’ verwijst naar het beauty-quark) krijg ik op een whiteboard een spoedcursus materie versus antimaterie.  En in de koffiehoek leer ik over de uitdagingen die je tegenkomt als je voor je collega’s een enorm computersysteem wilt bouwen. “Theoretische fysici begrijpen de principes, maar vraag ze niet bruggen te bouwen. Die storten gegarandeerd in”, grapt Jeff Templon, groepsleider van het ‘Advanced Computing for Research’-team. “Echte systemen zijn niet ideaal, ze zitten vol zwakheden, en daar moeten we rekening mee houden.”

Laatste keer koffie
Na een aantal weken Nikhef staat mijn aantekeningenblok vol. Mijn schrijfklus zit erop; het voelt alsof mijn verhalen zichzelf hebben geschreven. Voor mijn vertrek sta ik aan de koffietafel met een aantal PhD-studenten. Hun promotieperiode loopt ten einde. Een van hen gaat de wetenschap verlaten voor het bedrijfsleven. Hij ziet het niet zitten om naar het buitenland te verhuizen voor een postdoc. “Maar ik ga het missen, hoor. Je zit hier echt aan de frontlinie van een vakgebied; je bent steeds op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Ik heb het gevoel dat mijn werk echt zinvol is geweest om de wetenschap vooruit te helpen.” De vraag wat zijn PhD-periode nou zo leuk maakte, wordt beantwoord met een blik van ongeloof. “Ik mocht me bezighouden met otherworldly zaken. Zeg nou zelf, als je data-analyse doet, wat is dan mooier? Onderzoek naar verzekeringscijfers, of zwarte gaten?”